“Mijn materiaal leeft”

12.10.2026

een bijdrage van Emma Devillé voor Festival 20·21

Het is eind juli en de zon schijnt in Berlijn wanneer ik de Deense componist Simon Steen-Andersen ontmoet voor een koffie en een gesprek over zijn nieuwe compositie UR!. Het werk gaat in première op de Musiktage in Donaueschingen en komt een week later naar België, tijdens Transit in Leuven, op 25 oktober 2026. Kurt Schwitters’ Ursonate (1922–1932), een baanbrekend klankgedicht, dient als belangrijke inspiratiebron.

Simon, je vertelde me dat je het stuk nog aan het schrijven bent.

Klopt, dus dat is mijn enige disclaimer. Het is nog volop in ontwikkeling. Er zijn natuurlijk heel veel ideeën, maar we weten nog niet precies hoe alles samen zal komen. En natuurlijk weten we ook nog niet of de ideeën werken. We vertrouwen erop en storten ons erin, maar we blijven heel open.

Aangezien het stuk nog in volle ontwikkeling is, kun je iets zeggen over wat je al wel weet? Het stuk is gebaseerd zijn op de Ursonate van Kurt Schwitters, toch?

Ja en nee.

Ik was bezig met een project met Mike (Michael Schmid, de uitvoerder van het concert, red.) en op een dag, backstage, voor de show, zei hij: “Zouden we hierna niet eens iets met de Ursonate doen?” En ik wist dat hij de Ursonate al heel vaak had uitgevoerd. Dus we vertrokken van daaruit, en het stuk zal over de Ursonate gaan, maar meer nog over Schwitters in het algemeen, en over alles door de ogen van Mike, tot op het punt waarop Mike niet alleen het medium is, maar ook het onderwerp. Dus op een bepaalde manier denk ik er nu aan als aan een soort dubbelportret van Schwitters en Mike. Een heel vrij en surrealistisch portret. Het zal niet informatief zijn op de klassieke manier.

En al het materiaal dat ik gebruik, is gevonden materiaal. Zowel in Kurt Schwitters’ biografie en zijn werk als in Mikes biografie, of misschien meer precies in zijn geheugen. En er is veel tekst en feiten met verbanden. Dat zal op de een of andere manier deze vorm aannemen, waarin het niet altijd duidelijk is waar het ene begint en het andere eindigt. Van het werk naar het meer biografische, het meer historische, enzovoort.

Hoe is de samenwerking met Schmid dan verlopen?

Mike had al meer dan twintig jaar onderzoek naar Schwitters gedaan, en samen zijn we blijven onderzoeken: alles doorlezen, alle mogelijke sporen volgen, curieuze feiten, werken, anekdotes… Terwijl we daarmee bezig waren, heb ik Mike ook indirect geïnterviewd en onderzocht. Ik heb dus veel informatie over hem, soms gaf hij die zelf aan mij, en soms observeerde ik hem gewoon. Op een bepaalde manier is alles samen bedacht of gebrainstormd.

Ik denk over mijn werkproces vaak als een dialoog met het materiaal. Dat betekent dat ik niet zomaar een idee heb, maar dat ik ergens aan denk en dan feedback krijg, en dat het uiteindelijk niet alleen mijn idee is, maar toch ook weer wel. Het is een soort onderzoek van het materiaal. En hier is het ook zo, maar dan een échte dialoog, want mijn materiaal – Mike – leeft effectief.

De voorstelling is aangekondigd als een “multimedia journey” van filmbeelden en live performance. Heb je al een beeld van de klankwereld van het stuk?

Ik maak zelf niet echt zoveel onderscheid tussen de verschillende niveaus, zoals het sonische, het visuele en het performatieve. Alles komt terug op het concept, het materiaal, de vertelling. Het zal zeker een heel sensorische, heel lichamelijke ervaring worden. En er zal veel klank zijn, maar die zal nooit losstaan van het visuele.

Wat men kan verwachten, is alles van Kurt Schwitters – al zijn werk gemengd met zijn biografie, gefilterd door en gemengd met Mike, die ik zou omschrijven als Kurt Schwitters’ meest toegewijde uitvoerder ooit. We leiden de principes af die door Kurt Schwitters werden ontwikkeld en geformuleerd, en passen die vervolgens terug toe op zijn werk.

Het stuk zal iets hebben van aan een rare koortsdroom die je meesleurt in een crazy rabbit hole.

Kurt Schwitters was een volledige, all-round multimediale kunstenaar. Vaak begon hij een tekst op één plek, en op een gegeven moment vertrekt die en eindigt ergens anders. En jij denkt: wacht, waar kwamen we vandaan? Het stuk zal iets hebben van aan een rare koortsdroom die je meesleurt in een crazy rabbit hole.

Simon Steen-Andersen © Lars Svankjær

Welke instrumenten ga je gebruiken?

Er zal veel elektronica zijn en veel live geproduceerde klanken. Soms kun je niet goed horen of het sound design is of live gespeeld. Er zal wat dwarsfluit zijn en wat klanken. En een synthese van wat Mike heeft ontwikkeld en later “breathcore” noemde, wat eigenlijk gewoon een techniek is van ademen en het geluid filteren.

De video zal alles omvatten tussen documentaire en surrealisme. De meeste scènes spelen zich af op de hoofdlocatie, die gewoon de ruimte is tussen de kleedkamer en het podium. We filmen in Hellerau (een Festspielhaus in de omgeving van Dresden, red.), en het moet juist algemeen of generiek voelen. Je bent niet volledig in de realiteit, omdat je je die doorgang en het concert probeert voor te stellen, of omdat je het concert aan het geven bent en dingen beginnen uit te dijen. En plots zijn we niet alleen daar, maar versmelt de ruimte met het idee van de Merzbau (Merz is een vorm van dada, bedacht door Schwitters, red.). Of misschien iets metaforischer gezegd: we zitten in de bus. Het is dus een soort surrealistische, onderbewuste plek, waar het tegelijk geschiedenis en geheugen en dromen zijn, die rare ruimte. En tegelijk zal de video veel quasi-documentaire momenten bevatten. Zowel over het materiaal als over het proces zelf. Er zijn veel verschillende niveaus van realiteit, en de video wordt op alle niveaus gebruikt.

Wat was jouw relatie met de Ursonate vóór dit stuk? Was je er een fan van?

Niet echt, maar ik heb Mike het twee keer zien uitvoeren. Dat vond ik echt sterk. Dus voor mij gold: als ik van iets een fan was, dan was ik een fan van de combinatie met Mike. Toen ik voor het eerst met de Ursonate in aanraking kwam, vond ik het vooral interessant uit historische nieuwsgierigheid, maar niet als iets waarin ik me verder ging verdiepen. En dan was er met Mike een bepaalde energie. Ik herinner me de eerste keer dat ik het hoorde, ik dacht echt: “dit is zoals de energie van een rockconcert of stand-upcomedy.” Een beetje agressief.

Het klinkt als een behoorlijk groot project. Hoe begin je aan zoiets?

Ik begin met onderzoek doen, brainstormen en eigenlijk in alle richtingen opengaan. Je begint bij één ding. Je pakt gewoon elke associatie die je kunt bedenken en volgt die zo lang als je kunt. Dan begin je te zien waar de associaties, zelfs aan het uiteinde van de vertakkingen, ook met elkaar in verbinding raken. Dat soort verbindingen vind ik mooi. Dus in het begin laat ik eigenlijk alles ontploffen. Ik houd het bij op een virtueel whiteboard dat oneindig groot is. En dan is de echte uitdaging om dat te destilleren, te ordenen. Het is een langdurig proces, maar ook met lange periodes van niets. Het laten rijpen en er dan weer op terugkomen. Er was een heel intense periode waarin ik Mike elke dag tien of twaalf uur zag. Twee procent van de tijd waren we dingen aan het uitproberen. De rest van de tijd waren we gewoon aan het lezen en aantekeningen aan het maken.

Het stuk is gebaseerd op de Ursonate, die algemeen wordt beschouwd als deel van de dada-beweging. Dat was een zeer politieke beweging, als reactie op een zeer ontwrichte tijd. Er zijn misschien veel parallellen tussen toen en nu. Zie jij jouw stuk als politiek? Zou je zeggen dat je in die zin een beetje politiek bent, of in je compositiepraktijk?

Ik zou zeggen: ja, maar nooit expliciet. Ik geloof niet echt in expliciet politieke kunst. En dat is niet alleen intellectueel, het werkt gewoon niet voor mij. Maar dat betekent niet dat het niet overal onder het oppervlak aanwezig is. Het is veel meer in de zin van: dingen om over na te denken, en uitnodigingen om tot je eigen conclusies te komen. Net als het herontdekken van dingen waarvan je dacht dat je ze kende, of het ontdekken van andere kanten, nieuwe perspectieven op die dingen. En ik denk dat dat alles een heel groot politiek potentieel heeft, maar het is niet echt meetbaar. Het doet iets met ons achteraf, maar als je je vinger erop moet leggen, verdwijnt het een beetje, of voelt het soms banaal.

Wat zou jij dit stuk noemen? Een compositie? Muziek?

Om eerlijk te zijn weet ik niet goed hoe ik het moet noemen. En dat vind ik eigenlijk wel mooi. Het zit ergens tussen compositie en regie in. Soms is het regie, soms compositie, en soms wisselt het heen en weer en is er een vage grens. En ook esthetisch ben ik niet zeker wat het is, want het gaat niet zozeer om het idee van één esthetiek, maar veel meer om dit idee van wat ons omringt. Ruis, maar ook culturele artefacten. Er zal wat Wagner in zitten, maar het is niet alleen Wagner. Het is deel van dit grote, enorme, collectieve culturele geheugen.

Voor mij is er niets radicaler dan iets wat ik dacht perfect te kennen op een nieuwe manier te ervaren. Om dat te kunnen doen, kan ik geen nooit-eerder-gehoorde klank gebruiken. Ik kan geen abstract schilderij nemen en het ondersteboven draaien, want dan weet je niet wat boven en onder is. Je kan het niet waarnemen als een veranderd perspectief. Daarom gebruik ik lampen, locaties, klankgedichten, Wagner-opera’s, YouTube-commentaren, of alles mogelijke. En dan zijn we weer terug bij Schwitters, die ook geen onderscheid maakte tussen het klassieke geschilderde kunstwerk en het kleine ding dat hij op straat vond. Hij raapte het op en plakte het vast. Hij verkoos het een niet boven het ander. Ze konden met elkaar spreken. En ik denk dat dat een mooie cirkel vormt, tussen hoe ik ben gaan werken en hoe Schwitters honderd jaar geleden werkte.