Zubin Kanga © Evy Ottermans

Answer Machine Tape

17.11.2025

een bijdrage van Maarten Beirens voor Concertgebouw Brugge

Al jarenlang is componist Philip Venables sterk begaan met de zoektocht naar verschillende manieren om een queer perspectief in zijn muziek te betrekken. In het bijzonder is zijn muziek begaan met het vertellen van wat hij ‘queer personal histories’ noemt. Samen met zijn partner – regisseur Ted Huffman (bij ons misschien nog het meest bekend om zijn regie van Kris Defoorts The Time of our Singing in De Munt) – bracht die zoektocht hem onder meer naar de Amerikaanse kunstscène van de jaren 1970 en ’80 en die van downtown New York City in het bijzonder. Het was een milieu dat niet enkel een opvallend aantal artiesten telde die openlijk seksuele identiteit, queer activisme en artistieke praktijk wisten te verweven. Het was ook een gemeenschap die gedecimeerd zou worden door de verwoestende uitbraak van AIDS.

In de loop van hun zoektocht door de archieven van queer kunstenaars kwamen Huffman en Venables het archief van beeldend kunstenaar David Wojnarowicz op het spoor, met in het bijzonder van een bandje uit diens antwoordapparaat dat Wojnarowicz apart had bijgehouden. De ingesproken boodschappen op het bandje dateren allemaal uit de periode van november tot december 1987; van net voor tot net na de dood van Wojnarowicz’ vriend en voormalige liefdespartner, fotograaf Peter Hujar, die op 26 november 1987 aan de gevolgen van AIDS overleed. Eenzelfde lot wachtte ook Wojnarowicz, die in 1992 de strijd tegen AIDS verloor. Met Hujar en Wojnarowicz had Venables niet enkel een sterk persoonlijk verhaal gevonden, maar bovendien staan er twee artiesten centraal die elk voor zich in hun werk het tijdsbeeld van hun jonge generatie gay en queer artiesten in New York sterk wisten te treffen, waarbij het openlijk beleven van hun seksuele identiteit overschaduwd wordt door het voortdurende bewustzijn van de dreiging van AIDS.

Als het vertellen van persoonlijke geschiedenissen met een queer perspectief het uitgangspunt was, dan slaagt Philip Venables daar op een zeer originele manier in. Centraal in Answer Machine Tape, 1987 (2022) staat het bewuste bandje uit het antwoordapparaat van Wojnarowicz. We horen allerlei ingesproken boodschappen: zijn galerist heeft enkele dringende vragen over een volgende tentoonstelling, bevriende artiesten, een one night stand spreekt de hoop uit binnenkort een volgend afspraakje te maken, en verschillende gemeenschappelijke vrienden en kennissen informeren naar hoe het met Peter Hujar gaat. Zoals altijd op een antwoordapparaat zijn de meeste boodschappen eerder kort, vaag en soms zakelijk. (‘Kan je mij terugbellen?’) Bovendien is het een kwestie van éénrichtingsverkeer: mensen laten boodschappen achter, maar of Wojnarowicz hen heeft teruggebeld en wat er dan effectief zou zijn gezegd, krijgen we helemaal niet te weten. Toch schemert er door de mozaïek van korte berichten geleidelijk een beeld waarin de (naderende) dood van Hujar zelden rechtstreeks wordt benoemd, maar wel voortdurend onderhuids aanwezig is. De alledaagse korte berichten weven een narratief dat doorheen de schijnbaar banale toon van alle berichten een ontzettend indringend beeld schetst. Niet enkel van de levens van David Wojnarowicz en Peter Hujar, maar van de ervaringen van de queer artistieke gemeenschap in het New York van de jaren 1980, waar AIDS (een term die trouwens nergens op de tape uitgesproken wordt) als een duistere schaduw boven hangt.

Niet enkel schemert het onderliggende verhaal slechts onrechtstreeks door via de versnipperde spraakberichten, maar Philip Venables voegt er nog een tweede laag aan toe, waarbij hij de pianist inzet om de audio van de spraakberichten live te transcriberen. Dat valt vrij letterlijk te nemen. Met een systeem van ‘motion capture’ dat het indrukken van de pianotoetsen registreert, worden de gespeelde noten van de pianist live door de computer omgezet naar lettertekens, die op een scherm geprojecteerd worden. Zo wordt de piano simultaan muziekinstrument én (een bijzonder grote) typemachine. Deze techniek past in het grote meerjarige onderzoeksproject Cyborg Soloists van pianist Zubin Kanga. Hierin gaat Kanga via samenwerkingen met verschillende componisten (en met makers van experimentele technologie en software) aan de slag met het ontwikkelen van technologieën die een digitaal of elektronisch verlengstuk kunnen bieden aan zijn praktijk als pianist. Het idee van een cyborg – half mens, half machine – staat daarbij centraal. En net zoals in science fiction is de feilbaarheid van de machine mee in het stuk betrokken.

De snelle loopjes waarmee de pianist de gesproken tekst moet trachten te volgen, zorgen er ook voor dat er kleine afwijkingen ontstaan – letters vallen weg of worden door een andere letter vervangen. Terugkerende klanken (de ‘biep’ van het antwoordapparaat) en woorden die vaak voorkomen (zoals ‘hello’ of ‘David’) groeien door dit proces uit tot herkenbare melodische motieven omdat ze telkens door dezelfde combinatie van piano/typemachinetoetsten worden gedubbeld.  In Answer Machine Tape, 1987 staat de bewuste tape zonder twijfel centraal terwijl de piano er een poging tot transcriptie en annotatie omheen weeft. Feilbaar en kwetsbaar, net zoals de emotionele kern van het narratief aangrijpend tot leven komt via de elliptische, gefragmenteerde puzzelstukken van nu eens banale en dan weer intieme spraakberichten.