Creativiteit in tijden van artificiële intelligentie

27.04.2026

een bijdrage van Arne Herman voor Casco Phil

Met de jaarlijkse format Late Night Avant-Garde baant Casco Phil zich samen met het publiek een weg doorheen het oerwoud van vraagtekens dat hedendaags klassiek soms kan zijn. In een ongedwongen late-night setting waar muziek, gesprek en nieuwsgierigheid samenkomen, bevraagt het houtblaaskwintet van Casco Phil de rol van de componist in een wereld waarin artificiële intelligentie steeds nadrukkelijker aanwezig is. Alle ethische bezorgdheden ten spijt, creëert AI immers mogelijkheden die de grenzen van traditionele artistieke expressie verleggen. Tijdens dit laatavondconcert gaan (onder meer) twee werken in wereldpremière: een creatie voor houtblaaskwintet van Casco Phil-muzikant én componist Edoardo Brandi, en een werk ‘gecomponeerd’ door artificiële intelligentie. In een compact programma nemen de componisten (en software-ontwikkelaars…) zelf het woord en gidsen ze het publiek door hun muzikale universum. In een interview met Arne Herman licht Edoardo al een tipje van de sluier. Zijn visie op compositie geeft aanleiding tot een reflectie over de rol van AI in de klassieke muziek.

Edoardo, wat is het vertrekpunt van je nieuwe werk? Wat kunnen we verwachten?

Als masterstudent aan het Conservatorium van Antwerpen heb ik dit jaar de kans gehad om in verschillende stijlen te schrijven en te experimenteren met allerlei genres. Ik laat me de laatste tijd sterk inspireren door John Cage, vooral door zijn methodes om de controle over een stuk los te laten en het universum te laten beslissen over de toonhoogteorganisatie. Maar evengoed laat ik me inspireren door het gebruik van muzikale kleur bij Iannis Xenakis, Olivier Messiaen en Radiohead. Voor het houtblaaskwintet dat Casco Phil in première brengt, speel ik met chromatische lijnen die met elkaar verstrengeld raken, waardoor spontaan allerlei onverwachte harmonieën ontstaan. Ik geef bewust een deel van de controle over de vorm op; Edgard Varèse zei ooit dat vorm het resultaat is van een proces. Het stuk is daarom ook eerder rapsodisch, in één doorlopende beweging van ongeveer zes minuten, en vooral ook fragmentarisch. Net wanneer je denkt dat het naar één klankbeeld evolueert, slaat het een andere richting in.

Je werk is geschreven voor een houtblaaskwintet. Vraagt dat een specifieke aanpak?

Ik ben mijn muzikale loopbaan begonnen als violist, dus mijn denken is sterk op strijkers geënt. Terwijl je bijvoorbeeld bij een strijkkwartet een heel uniforme klankwereld kan maken, ligt de uitdaging hier in het feit dat elk houtblaasinstrument zijn eigen karakter heeft, en zijn eigen articulatie, kleur, enzovoort. Dat geeft enorme mogelijkheden qua klanktextuur, zeker wanneer je de uitersten van de registers gaat verkennen. Zo ontdekte ik bijvoorbeeld de schoonheid van het lage register van de hoorn, dat vaak door componisten wordt verwaarloosd.

Edoardo Brandi

Je combineert dus twee methodes: enerzijds het doelbewust verkennen van de mogelijkheden van de instrumenten, en anderzijds loslaten om de muziek zichzelf te laten vormen. Waar ligt de optimale balans tussen controle en loslaten?

Mijn aanpak is op dit moment dat ik vertrek van enkele stevige bouwstenen, maar eigenlijk zo weinig mogelijk. Een paar ideeën, motieven, of misschien gewoon één akkoord zijn al voldoende. Eens ik dat basismateriaal gedefinieerd heb, laat ik veel los. Ik laat de muziek groeien vanuit zichzelf, en enkel wanneer het uit de hand dreigt te lopen, grijp ik in en verander ik iets. In mijn partituur werk ik ook met aleatorische kaders, waarbij ik enkele toonhoogtes aanbied waaruit de muzikanten vrij kunnen kiezen gedurende enkele maten. Zo krijg je een voortdurend bewegende textuur; een soort spoor van continu verschuivende noten. Zeker wanneer je die toevalsfactoren toelaat, moet je het resultaat van het proces aanvaarden. Je bepaalt de parameters, en daarna accepteer je de uitkomst. Ik denk dat het Eric Whitacre was die zei: “Ik ga toch teleurgesteld zijn in het resultaat, dus dan kan ik dat beter zo vroeg mogelijk zijn.”

Wat betekent het nog om componist te zijn in een wereld waarin artificiële intelligentie een groot deel van het proces, of misschien zelfs volledig, kan overnemen?

Dat is iets waar ik vaak over nadenk. Er zal altijd wel iemand zijn die concerti van Mozart of symfonieën van Brahms uitvoert; dat repertoire houdt zichzelf in evenwicht. Als componist wordt er vandaag verwacht dat je voortdurend produceert. Het voelt soms als een hamsterwiel: blijven creëren en dingen de wereld insturen, nog voor er zich een kans aandient om het werk uit te voeren. Maar als componist wil je niet enkel schrijven voor je bureaulade; muziek is bedoeld om gehoord te worden. Wat ik daarmee bedoel, is dat er ergens sprake is van een soort verzadiging. We leven in een tijd waarin eigenlijk alles al eens geprobeerd is: elk vreemd idee, elke klank, installatie of concept. Als componist beschik je over een enorme bibliotheek aan technieken, klanken en timbres. Dat brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee, want het is een uitdaging om te moeten kiezen uit die overvloed. Tegelijk is het de schoonheid en essentie van het componeren vandaag. Zolang je oprecht bent in wat je selecteert, en dus wat je schrijft, zal het publiek dat erkennen, al is het misschien onbewust. Als je vandaag nog probeert te choqueren, zal het publiek je niet volgen. Alles is al ervaren. Zelfs een publiek dat nog nooit hedendaagse klassieke muziek heeft gehoord, hoef je niet op te voeden of te imponeren met virtuoze technieken. Als je probeert slim over te komen, verlies je hen meteen. Wat ik als componist voor ogen heb, is dat ik het publiek bij de hand neem en hen iets toon wat ik waardevol vind.

Voel je de opmars van artificiële intelligentie aan als een bedreiging voor menselijke creativiteit?

Ik merk dat vooral mensen die schrijven voor films of reclamespots het moeilijk hebben. Ook in de popmuziek zie je dat AI-tools hen geleidelijk vervangen. Op platformen als Spotify wordt er winst gemaakt op artiesten die niet eens bestaan. Die tools worden vaak gepresenteerd als manieren om tijd te besparen zodat je je kunt richten op wat echt telt.

Maar ik zie niet wat er belangrijker zou kunnen zijn voor mij als componist dan tijd besteden aan mijn ambacht, aan experimenteren, soms falen en mijn creativiteit aanscherpen. Ik weet eerlijk gezegd niet hoe dit zal evolueren, maar ik geloof wel dat er een soort muziek bestaat die buiten de logica van ‘business’ en onmiddellijk gebruiksgemak valt. Het is niet omdat een algoritme iets kan produceren volgens de regels van de kunst, dat het resultaat ook noodzakelijk interessant zal zijn. En ik heb moeite om te geloven dat zulke werken de tand des tijds zullen doorstaan.

The AI Composing Factory

De impact van artificiële intelligentie op zowat alle aspecten van ons dagelijkse leven, valt niet te ontkennen. Ook de klassieke muziekwereld worstelt met een aantal vraagstukken rond de voor- en nadelen van wat niets minder is dan een paradigmaverschuiving. Naast zorgen over broodroof van musici en componisten, naast discussies over auteurschap en intellectueel eigendomsrecht, en naast dilemma’s die ethiek en efficiëntiewinst tegenover elkaar plaatsen, stelt de opmars van AI ook een aantal eeuwenoude vragen op scherp. Wat maakt kunst authentiek? Wat bepaalt onze waardering voor een kunstwerk? Is het louter de esthetische ervaring zelf, of speelt de maker een even grote rol? Verandert onze waardering van een muzikaal werk wanneer het brein achter de partituur geen mens maar een algoritme blijkt te zijn?

In essentie gaat die discussie over verbinding. Als luisteraar verwachten en veronderstellen we minstens twee vormen van verbinding. Er is de verbinding tussen de maker en de luisteraar: we verwachten immers van de maker dat diens muziek tot ons spreekt. Een tweede vorm van verbinding is die tussen het kunstwerk en zijn maker, en bestrijkt het mysterieuze gebied tussen de creatieve impuls en het uiteindelijke kunstwerk; tussen input en output. Wat gebeurt er precies in dat onzichtbare proces dat een blanco blad papier transformeert tot een muzikaal kunstwerk? Bij een menselijke componist gaan we uit van een combinatie van intuïtie en vakmanschap. Artificiële intelligentie neemt het grootste deel van dat vakmanschap over. Via modellen die het algoritme trekt uit een gigantische verzameling voorbeelden uit het verleden, produceert het een werk in dezelfde lijn.

Het overnemen van ambachtelijkheid is nog enigszins vergeeflijk, maar we willen graag geloven dat een algoritme niet in staat is tot intuïtie. Menselijke intuïtie is immers een soort hoogst persoonlijke verwerking van impulsen uit het verleden. In die zin loopt er een imaginaire causale ketting van het eindproduct (het muzikale werk) tot de verzameling van alle historische voorbeelden waardoor de maker is gevoed. Het interessante is dat de werking van een AI-algoritme geschraagd is op hetzelfde principe. Al wat het algoritme produceert, valt causaal terug te voeren op de verzameling data waardoor het systeem is gevoed. Die causale ketting is niet zichtbaar en is ook nauwelijks traceerbaar; het is een mysterieuze ‘black box’ die zelfs de meest geniale softwareontwikkelaars nog niet hebben doorgrond. In wezen verschilt dit procedé dus weinig van wat er in het menselijke, ‘creatieve’ brein gebeurt. Geen enkele componist schrijft zijn muziek immers vanuit een historisch vacuüm. De enorme hoeveelheid bagage die de componist heeft gevormd tot wie die vandaag is, bepaalt zijn intuïtie en dus zijn output.

Vanwaar dan onze weerstand ten aanzien van muziek die door een algoritme is gefabriceerd? En vanwaar het vertrouwen dat AI de rol van de componist nooit écht zal vervangen? Dat heeft alles te maken met de eerste vorm van verbinding, die tussen maker en luisteraar. Als luisteraar moeten we erop kunnen vertrouwen dat er menselijkheid te pas gekomen is in het creatieproces. Dat er een vonk van menselijke intuïtie (hoezeer die ook gevormd is door een verzameling voorbeelden) aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van het werk. Pas op het moment dat de maker van een werk onthuld wordt als een algoritme, en niet eerder, zullen we het werk anders gaan waarderen. De noten van het werk veranderen weliswaar niet, maar een belofte van verbinding die wezenlijk deel uitmaakt van onze appreciatie van kunst, wordt onderuit gehaald.

Ook de coronacrisis heeft ons veel geleerd over het belang van verbinding. Uit noodzaak ontwikkelden we nieuwe vormen van muziek luisteren, maar na de crisis keerden we terug naar de concertzaal. Het gevoel van tussen luisteraars te zitten (zelfs kuchend of ritselend), is meer waard dan de perfecte cd-opname die thuis vanuit de zetel wordt beluisterd. Zo legt de opmars van AI heel wat bloot over wat de essentie uitmaakt van onze beleving en appreciatie van muziek: namelijk het vertrouwen van verbonden te zijn met iets menselijks.

Op vraag van Casco Phil ontwikkelde PwC België een AI Composing Factory. Met een handige software-tool kan een opdracht (of ‘prompt’) worden omgezet in een speelbare partituur. Op 29 mei neemt het houtblaaskwintet de proef op de som in een concert dat de mogelijkheden én de grenzen aftast van artificiële intelligentie in de concertzaal.

Screenshot AI Factory

De AI Composing Factory is een project naar een idee van Casco Phil, ontwikkeld in samenwerking met PwC België. Eerder was Casco Phil te gast in de video-podcast ‘AI Unscripted’ van PwC België. De aflevering rond muziek en artificiële intelligentie kan je bekijken via deze link.