De blijvende relevantie van een ‘burgerlijk genre’

27.03.2026

een bijdrage van Mark Delaere voor Concertgebouw Brugge

In zijn werktoelichting bij het strijkkwartet dat we in dit concert beluisteren schrijft Enno Poppe: ‘Jarenlang dacht ik dat het schrijven van strijkkwartetten niet meer mocht. Ik ben echter vergeten waarom. Wellicht omdat het strijkkwartet in al zijn rationaliteit te reactionair of te burgerlijk werd bevonden’. Het 19de-eeuwse strijkkwartet situeert zich oorspronkelijk inderdaad in de huiskamer van de hogere burgerij of begoede middenklasse. In tegenstelling tot de symfonie of opera is het geen openbaar genre. Naast fysieke beslotenheid kenmerkt het zich ook door een vorm van cultureel elitarisme, alsof het strijkkwartet enkel weggelegd is voor kenners, en niet voor liefhebbers. Omdat het strijkkwartet het experimenteerterrein bij uitstek was van componisten, wisten ook zogenaamde kenners er echter al vlug geen raad mee.

Beethoven als spelbreker

De conventies van het strijkkwartet gaan inderdaad al vroeg op de schop. Na de beluistering van Beethovens op. 131 zou Schubert gezegd hebben: ‘Wat kunnen wij nu nog schrijven?’. Met de late strijkkwartetten van Beethoven wisten latere componisten als Mendelssohn, Schumann, Brahms of Dvorák inderdaad geen raad. Omdat die late werken helemaal niet beantwoorden aan voorkomen en expressie van het romantische strijkkwartet, namen ze enkel de strijkkwartetten uit Beethovens middenperiode als model. Pas in de 20ste eeuw vonden componisten terug aansluiting bij Beethovens late kwartetten, Béla Bartók in het bijzonder. Beethoven deed het muzikale establishment dus al vroeg op zijn grondvesten daveren. In de woorden van Enno Poppe: ‘Artistieke verzetsbewegingen richten zich altijd tegen het establishment. Ik vond de [late] strijkkwartetten van Beethoven echter allerminst tot het establishment behoren. Ik zag er veeleer cultuurproducten in die met uitsterven waren bedreigd en zonder steun niet konden overleven. Op een bedreigde diersoort schiet je niet. Een kunstenaar die iets kwetsbaars wil afschaffen, heeft niet begrepen waarvoor je moet vechten’. Zowel Enno Poppe zelf als Lisa Streich zetten die strijd onverminderd verder.

De weerbarstige Beethoven

Herhaling en voorspelbaarheid garanderen populariteit, het tegendeel onbegrip en verbijstering. Wat maakt Beethovens Strijkkwartet in cis op. 131 (1826) nu zo weerbarstig? De verwachting is dat een strijkkwartet vier delen heeft, maar op. 131 telt er niet minder dan zeven. Bovendien lopen die zeven delen zonder onderbreking in elkaar over, zodat de luisteraar een taaie brok muziek van bijna veertig minuten voor de kiezen krijgt. In plaats van een korte langzame inleiding die ons in de juiste expressieve sfeer brengt, horen we in het openingsdeel een grondig uitgewerkte fuga, zowat de meest abstracte en constructivistische compositietechniek. Het vierde, centrale deel is een variatiereeks. Het thema waarop gevarieerd wordt is allerminst een korte, bevattelijke en populaire melodie, zoals in die tijd gebruikelijk was. Het is zelfs niet duidelijk afgesloten, zodat je er het raden naar hebt wanneer de eerste variatie begint. Door de voortdurende wijziging van tempo en maatsoort horen we vooral (karakter)variaties, en weinig herhaling of versiering van het thema. Samenklanken zijn soms wrang, vooral in de trage delen, en meer dan eens duiken ook onverwachte onderbrekingen op, die de luisterervaring uit evenwicht brengen. Luister bijvoorbeeld naar het slot van het vijfde deel, een scherzo dat normaal gezien tot de meest voorspelbare en vrolijke bewegingen behoort. Het hoofdthema klinkt inderdaad lichtvoetig, maar de behandeling is dat allerminst. Plotse rusten, een stokkende beweging, scherp gearticuleerde pizzicato’s en zelfs een passage die sul ponticello moet gespeeld worden, dragen bij tot de vervreemding. In deze laatste techniek worden de snaren ter hoogte van de kam aangestreken, waardoor de klank meer ruis dan toonhoogte bevat. De late Beethoven is even weerbarstig als Bartók, Webern of Ligeti, waarmee we deze techniek eerder associëren.

Lisa Streich staat stil bij de sterren

Met zo’n familienaam ben je voorbestemd om een strijkkwartet te schrijven. De beluistering van Sternenstill (2020) maakt duidelijk dat de strijktechniek zelfs het centrale thema is van dit werk. Het bestaat uit een doorlopend geheel van veertien minuten waarin korte contrasterende fragmenten elkaar afwisselen en herhaald worden. Bij elke herhaling wijzigt er wel iets: microtonen die buiten de normale stemming vallen verkleuren een eenvoudige tonale akkoordprogressie, of een muzikant neuriet een toon zachtjes mee. De belangrijkste verkleuring volgt echter uit de verschillende strijktechnieken die Streich voorschrijft, en zelfs meer specifiek uit het gebruik van de boog. Variatie in de positie daarvan maakt dat nu eens de haren, dan weer het hout of een combinatie van haren en hout de snaren bestrijken en beslaan. Origineel is dat Streich ook zes gradaties in snelheid van de boogvoering noteert, van bewegingsloos tot 2,5 (volledige!) boogstreken per seconde. Daardoor ontstaat niet enkel een uiterst subtiel klankpalet. De concertbeleving omvat ook een uitgekiende choreografie van bewegende armen, dat deze Zweedse componiste met een vlucht vogels vergelijkt.

Een gesloten boek

Naast de late strijkkwartetten van Beethoven was ook het gelijknamige Livre pour quatuor (1949) van Pierre Boulez een belangrijke inspiratiebron voor Enno Poppe’s strijkkwartet Buch (2016). Poppe verwoordt zijn relatie daartoe als volgt: ‘Dit is een van de meest onbevattelijke en overweldigende strijkkwartetten die ik ken. Hoewel ik me al twintig jaar op dit stuk toeleg, heb ik de sleutel nog steeds niet gevonden. Buch is de sleutel zeker niet, maar veeleer een zoektocht en een diepe buiging’. Poppe’s ‘boek’ bevat vijf hoofdstukken: een onrustige opening met een snelle opeenvolging van korte inzetten, een zacht deel gebaseerd op glissandi, twee studies in respectievelijk zachte en harde klankkleuren, en een lang uitgesponnen en introvert akkoordisch slotdeel.