‘I wanted to tell a story.’

13.02.2026

een bijdrage van Rebecca Diependaele voor DE SINGEL

‘I wanted to tell a story.’ Met die eenvoudige stelling begint de programmatoelichting die David Lang (1957) schreef bij The Little Match Girl Passion (2007), het werk dat hem in 2008 een Pulitzer Prize opleverde. Het verhaal dat hij wilde vertellen is dat van Het meisje met de zwavelstokjes (1845) van Hans Christian Andersen. De aantrekkingskracht van dat verhaal, vertelt hij, ligt niet zozeer in het plot. Dat is al bij al niet heel ingewikkeld: een arm jong meisje, slachtoffer van een gewelddadige vader, probeert tijdens de oudejaarsnacht op straat lucifers te verkopen. Tevergeefs: niemand kijkt naar haar om. Weggekropen in een steegje steekt ze één voor één haar lucifers aan om haar handen te warmen. Bij elk klein lichtje troost ze zichzelf met dromen van een warme kachel, een feestelijk gedekte tafel, een liefdevolle familie, een prachtige kerstboom en ten slotte haar overleden grootmoeder. Wanneer de lucifers op zijn, vriest het meisje dood en ‘voert haar grootmoeder haar ziel mee naar de hemel’. ’s Ochtends wordt ze gevonden door voorbijgangers, die medelijden hebben met haar droeve lot en zich verbazen over de glimlach op haar gezicht – ze hebben geen idee van haar gelukzalige gedachten. Wat David Lang aantrok aan dit verhaal zijn de scherpe contrasten: de grimmige situatie waarin het meisje verkeert, staat haaks de haar warme herinnering aan haar grootmoeder; haar pure karakter lijkt onaangedaan door de vijandigheid van haar omgeving – in haar armoede is ze buitengewoon hoopvol; en in haar meest uitzichtloze ogenblikken geeft ze zich over aan de mooiste visioenen. Zo ontstaat een bijna choquerende wisselwerking tussen lijden en hoop. Ook de manier waarop Andersen het verhaal vormgeeft, intrigeert Lang. Meer dan een donker, moraliserend sprookje of een allegorie over armoede en geloof, doet Het meisje met de zwavelstokjes hem denken aan een Bijbelse parabel. De structuur is dezelfde als die van passieverhaal, dat het lijden en de dood van Jezus beschrijft: het hoofdpersonage lijdt, wordt geminacht door de menigte en sterft, om uiteindelijk te transfigureren en in de hemel opgenomen te worden. Welke betekenislagen zou hij naar boven kunnen halen, vroeg Lang zich af, als hij op die lijn zou verder gaan en het sprookje verder zou uitwerken zoals componisten eeuwen geleden deden met de passie van Jezus?

Met de Mattheuspassie van Johann Sebastian Bach als referentiepunt goot David Lang het verhaal van Andersen in een nieuwe vorm. De tekst schreef hij zelf, op basis van bestaande teksten van Hans Christian Andersen, H. P. Paulli (de eerste vertaler van Andersens sprookje), Picander (de librettist van Bachs Mattheuspassie) en het Evangelie volgens Matteüs. Net zoals in het barokke model wisselt hij het eigenlijke verhaal af met reacties, commentaren en reflecties, gezongen door het koor. Die passages fungeren als emotionele wegwijzers in het stuk – ze spiegelen de (verwachte) affectieve reacties van het publiek en maken er als het ware plaats voor. De tekst, lading en plaatsing van de koordelen geven tegelijk ook stem aan het perspectief van de componist. Behalve beschouwing lijken ze in The Little Match Girl Passion ook troost te bieden: het meisje werd niet gezien, maar haar verhaal wordt nu wél gehoord. Door het relaas te omringen met reflecties laat Lang ook de universele grond onder de parabel van Andersen horen en verheft hij zijn hoofdpersonage tot symbool. Ze is niet eender welk naamloos meisje in de straten van de negentiende eeuw, noch het éne meisje van Andersen sprookje, maar élk meisje met de zwavelstokjes, élke onbeantwoorde roep om hulp.

The Little Match Girl Passion is het niet enige werk op het programma met een tekst van Hans Christian Andersen als uitgangpunt. Bo Holten (1948) baseerde zijn Regn og rusk og rosenbusk (1991) – ‘regen en mist en rozenstruik’ – op een gedicht afkomstig uit Andersens sprookje De steen der wijzen (1858). Daarin gaan vier broers elk op hun manier op zoek naar een oogverblindende edelsteen, die al het goede en schone van de wereld in zich draagt en de bezitter ultieme kennis en wijsheid zou schenken. Eén voor één raken ze teleurgesteld in hoe de mensen zich gedragen – veel goeds en moois vinden ze niet in de wereld – en verzinken ze in wanhoop. Tot slot gaat ook hun blinde zus op zoek. Zij laat zich echter niet van de wijs brengen door wat ze op haar weg vindt en komt terug thuis met een handvol stof – niet één robuuste steen, maar talloze piepkleine zandkorreltjes, die een stralend licht verspreiden, zoals de gouden stofdeeltjes die schitteren in een streep zonlicht. Het gedicht is reflectief van karakter, maar zet, net als Het meisje met de zwavelstokjes de ervaring van ellende, egoïsme en minachtig af tegen goedheid, liefde, hoop en geloof. Ons aardse leven is regen en mist, schrijft Andersen, een lange nacht vol verdriet, maar ook een zonovergoten rozenstruik. Beide zijden zijn deel van het leven, al vraagt het misschien meer moed om het tweede te zien. In de zetting van Holten worden die twee ‘stemmen’ of zienswijzen dramatisch geëvoceerd met negen basisstemmen en drie tegenstemmen – een ‘een kleine opera’, in de woorden van de componist.

Het Swedish Chamber Choir opent het concertprogramma met Hear My Prayer, O Lord van Sven-David Sandström (1942-2019) en De profundis van Ingvar Lidholm (1921-2017). Beide composities zijn zettingen van gebeden, zij het in een erg verschillende stijl en met een andere dramatische benadering. Hoe verschillend ze ook klinken, samen vormen ze een schitterend contrapunt bij de werken van David Lang en Bo Holten. Hear My Prayer, O Lord (1986) doet al vanaf de eerste maten denken aan de koraalzettingen van Johann Sebastian Bach. Dat is geen toeval: in de muziek van Sandström is Bach een terugkerende inspiratiebron. Een groot deel van Sandströms oeuvre bestaat uit vocale werken, waaronder tal van missen, cantates, oratoria en koorwerken en zelfs zes motetten die expliciet op koorcomposities van Bach gebaseerd zijn. Aan de andere kant verwerkte hij evengoed elementen uit modernisme, minimalisme, jazz en populaire muziek in zijn werk – een benadering die niet zo ver af staat van die van Lang, ook al klinkt hun muzikale taal nog steeds verschillend. Ingvar Lidholm stond dan weer kniediep in avant-garde stromingen die, op verschillende momenten in de vorige eeuw, gericht waren op muzikale vernieuwing en experiment. Zo verdiepte hij zich in het serialisme en verkende hij de mogelijkheden van alternatieve muzieknotatievormen, zonder zich ooit voor langere tijd op één enkele werkwijze vast te pinnen. Zijn taal is origineel en zijn expressieve bereik opmerkelijk breed. In zijn latere werk combineerde Lidholm regelmatig hedendaagse technieken met elementen uit oudere muziektradities. Dat geldt zeker ook voor zijn De profundis (1983). Die tekst is doorheen de geschiedenis ontelbare keren op muziek is gezet en misschien nog bekender in de gedaante van het Luthers koraal Aus tiefer not, dat Bach meermaals bewerkte. En toch: Lidholm weet die eeuwenoude noodkreet opnieuw in een eigentijds licht te plaatsen, precies door de geschiedenis te laten binnensijpelen in een hedendaags klankidioom. In de partituur verwijst de componist verder ook naar A Dream Play (1907) van August Strindberg, een theatertekst waarop hij enkele jaren later een opera zou baseren (Ett Drömspel, 1992). In de vorm van een droom snijdt die hetzelfde thema aan: de confrontatie met het menselijke lijden. Ook het lijntje met Andersen is hier snel getrokken.