In darkness let me dwell

09.02.2026

een bijdrage van Julie Mosar voor Concertgebouw Brugge

In darkness let me dwell

Het jaar waarin Lord Byron (1788-1824) zijn apocalyptische gedicht Darkness (1816) schreef staat bekend als ‘het jaar zonder zomer’. Op het eiland Sumbawa, in het huidige Indonesië, barstte een jaar eerder de vulkaan Tambora uit. Aswolken verduisterden grote delen van Europa. Koude, mist en aanhoudende regen werden dagelijkse realiteit; oogsten mislukten, hongersnood volgde. In Darkness voert Byron ons mee naar een wereld waarin de duisternis alles doordringt, sterker nog: waarin het universum zelf duisternis is. Het licht dooft en de wereld verliest haar samenhang. De aarde verstilt, de mens tast in het duister, omringd door angst en verlangen.
In dit concert ontvouwt de duisternis zich als een landschap waarin de luisteraar wordt binnengeleid. Ze sluit af, maar opent tegelijk nieuwe verbanden. Muziek uit verschillende eeuwen, van middeleeuwse melodieën en barokke devotie tot romantische wanhoop en hedendaagse elektronica, vormen samen één doorlopende nacht.
Vanuit de donkerte rijzen muzikale stemmen op. In de Annunciatie uit de Rosenkranz Sonaten van Heinrich Ignaz Franz Biber (1644-1704) gloeit een fragiel moment van belofte, een fluistering van het eerste licht. Maria verneemt dat zij Jezus zal baren, de verlosser. Bibers sonaten, gebaseerd op vijftien sleutelmomenten uit het leven van Christus, waren in hun tijd opmerkelijk vooruitstrevend. Met ongebruikelijke stemmingen en soms bijna ‘duivelse’ klankkleuren verruimde Biber het expressieve bereik van de viool. In de handen van duo Liebestraum krijgen deze klanken een nieuwe, hedendaagse resonantie.
Bij John Dowland (1563–1626) wordt de nacht een besloten kamer. Melancholie nestelt zich zacht, de ziel trekt zich terug uit de wereld. In de bewerkingen van Khosravi/Orazbayeva (Come Away, Death, Come to Me in Dreams, Dark Night) keert de duisternis naar binnen. Zij wordt herinnering, droom en hunkering, een ruimte waarin liefde voortleeft voorbij verlies, waarin stemmen blijven klinken wanneer het lichaam zwijgt. Met Good Day Today van David Lynch (1946-2025) schuift het programma het heden binnen. Onder de oppervlakte van het alledaagse sluimert vervreemding; ironie en dreiging lopen in elkaar over, alsof zelfs het daglicht niet langer betrouwbaar is.
Het zwaartepunt van het programma wordt gevormd door de Ciaccona uit de d-klein partita voor viool solo van Johann Sebastian Bach (1685-1750). In haar cirkelende bewegingen ontvouwt zich een monumentale innerlijke tocht: rauw, meditatief en onontkoombaar. Muziek die rouw ademt, maar ook volhardt, herhaalt en uiteindelijk ruimte maakt voor aanvaarding en licht.
Deze nachtelijke reis wordt gedragen door de Kazachse violiste Aisha Orazbayeva en de Iraanse elektronica-muzikant Peiman Khosravi, samen duo Liebestraum. Hun klankwereld beweegt vrij tussen eeuwenoude melodieën en hedendaagse elektronica: minimalistische herwerkingen van Dowland, Biber en Bernart de Ventadorn, originele composities, pulserende drones en ruwe, industriële texturen.
Zo ontstaat een abstract muzikaal landschap waarin liefde, dood, dromen en natuur elkaar voortdurend aanraken.
Aan het einde keren twee liederen terug naar de menselijke stem. Can vei la lauzeta van Bernart de Ventadorn, waarin extatische schoonheid en onbereikbaar verlangen samenvallen, en Gauhar Tas, een traditioneel Kazachs lied, in een arrangement van Khosravi/Orazbayeva. Na de lange nacht blijft een warmte achter, aards, breekbaar en helder, als een laatste, zacht nagloeiend licht.
Hannah Arendt schreef in Men in Dark Times “Even in the darkest of times we have the right to expect some illumination, and that such illumination may come less from theories and concepts than from the uncertain, flickering, and often weak light that some men and women, in their lives and works, will kindle under almost all circumstances and shed over the time-span that was given them on earth.” In de meest duistere tijden is er niet het felle licht van zekerheden, maar het flakkerende schijnsel dat sommige mensen, in hun leven en hun werk, blijven aansteken, tegen de duisternis in. Dat licht komt zelden als een openbaring. Het flakkert, is onzeker en kwetsbaar. Het ontstaat waar aandacht blijft, waar niet wordt weggekeken, waar men het donker durft te bewonen.