‘Laat me niet verloren gaan’: Luc Van Hove zet Joyce op muziek
15.04.2025
een bijdrage van Annemarie Peeters voor LUNALIA
Pomes Penyeach. Pas als je de titel van James Joyce’s bundel uit 1927 een aantal keer na elkaar leest, begint het je te dagen. Poems penny each: gedichten voor een stuiver elk. Het dertiende gedicht krijg je er, naar goede Ierse gewoonte, gratis bij. Precies die dertien kleinoden koos componist Luc Van Hove uit als het vertrekpunt voor zijn eerste, volledige liedcyclus. Terwijl hij door de teksten bladert, stipt hij vlijtig de dansende woorden van Joyce aan. ‘Kijk hier,’ verzucht hij. ‘Dat ritme, die herhalingen.’ Zijn handen worden als vanzelf muziek, zijn ogen fonkelen. ‘Tekst en muziek tot een eenheid smeden, dat is toch wel iets bijzonder hoor.’
Hoe ben je bij de gedichten van Joyce terecht gekomen?
Toen ik de opdracht kreeg om een liedcyclus te schrijven, ben ik onmiddellijk beginnen zoeken naar teksten. Ik dacht al snel aan Joyce, maar tegelijk twijfelde ik ook. Zoals veel lezers heb ik een dubbele relatie met Joyce vanwege Ulysses. Ik ben er ooit in begonnen en ben een heel eind ver geraakt, maar uiteindelijk moest ik het toch opgeven: zo moeilijk vond ik het! Maar Joyce heeft me wel altijd enorm geïntrigeerd en toen ik uiteindelijk bij deze gedichten uitkwam, wist ik al snel: dit is het.
Wat maakt deze ‘niemendalletjes’ zo geschikt om op muziek te zetten?
Pomes Penyeach spreekt direct aan en tegelijk heeft het een zekere weerbarstigheid. Onder die laag van toegankelijkheid schuilt een hele wereld. Joyce roept authentieke, alledaagse ervaringen op: geen grote verhalen, maar kleine, eenvoudige taferelen uit zijn eigen leven. De angst van een vader om zijn jonge kinderen, bijvoorbeeld, of medelijden bij het graf van een oude vriend van zijn vrouw. En toch weet hij vanuit die kleine ervaringen ook iets anders op te roepen, iets dat die alledaagsheid doorbreekt. Dat sprak me erg aan. Voor mij is dat wat kunst moet doen: doorheen het evidente breken.
Ben je een echte poëzie-lezer?
Ik lees zeker niet dagelijks poëzie, maar ik ben er wel erg ontvankelijk voor. Als ik bijvoorbeeld een gedicht tegenkom in een krant of een tijdschrift, dan kan me dat intens raken. Zo een gedicht kan me onverwachts optillen uit het dagelijkse leven en soms ben ik daar dan echt helemaal hoteldebotel van. Ergens hoop ik dat mijn liederen diezelfde kwaliteit hebben. Juist doordat de muziek nog een extra laag aan de gedichten toevoegt, kan de luisteraar een andere band aangaan met de tekst. En wie weet kunnen de gedichten daardoor nog verder – of anders – transcenderen, weg van de dagelijkse realiteit.
Is schrijven voor de stem een oude liefde of juist een nieuw begin?
Dat is een lang verhaal (lacht). Ik heb namelijk in mijn studententijd een stuk geschreven voor sopraan, klarinet en kwartet en dat was, op z’n zachtst gezegd, geen succes. Het publiek vond het moeilijk, de zangeres vond het moeilijk en zelfs ik vond het moeilijk. Ik had geprobeerd om de stem te integreren in de complexe, moderne schriftuur van die tijd en dat was naar mijn gevoel volledig mislukt. Het heeft daarna jaren geduurd omdat om dat spoor terug te vinden. Pas met mijn opera La Strada (2007) had ik echt het gevoel dat ik van dat eerste trauma hersteld was.
De stem is ook deel van uw persoonlijke geschiedenis, niet?
De broer van mijn moeder was een beroemde operazanger, Arnold van Mil. Hij had een enorme carrière, zowel in het Italiaanse als in het Duitse repertoire. Mijn twee broers en ik werden als kind mee op sleeptouw genomen in die vocale cultuur. We gingen naar de opera, luisterden naar belcanto,… Zang was alles bij ons thuis. Daarom legde ik, denk ik, de lat voor mezelf zo hoog en daarom was ik ook zo teleurgesteld na die eerste, moeilijke ervaring.
Wat heeft de tijd u geleerd? Hoe wilt u dan wel schrijven voor de stem?
Voor mij moet de stem natuurlijk klinken: helder, niet geforceerd. De stem moet gedragen worden door muziek die ook een zekere natuurlijkheid in zich heeft. En dat kan alleen als je als componist heel goed weet waar je naar toe wil. Geen wazigheid, geen zoekende klanken. Duidelijkheid heb je nodig.
Hoe begin je aan zo een toonzetting?
Ik heb elk gedicht misschien wel honderd keer gelezen. Telkens keerde ik terug naar de vraag: wat zegt die tekst mij? Wat betekent hij voor mij? Ik probeerde me daar een totaalbeeld van te vormen en dan begon ik zoeken naar muziek die het karakter van het gedicht, voor mij persoonlijk, zo zuiver mogelijk weergaf. Dat karakter kon zich in vanalles uiten: in een begeleidingsfiguur, een tempo, … Dat kon zelfs één akkoord zijn, één beweging, één lijn. Dat was een enorm traag proces. Maar als ik dan eenmaal die ingang gevonden had, ging het snel vooruit.
Maak je als componist ook keuzes in hoe de tekst begrepen wordt door de luisteraar?
Zeker. De cyclus vertrekt vanuit mijn lezing en ik heb de muziek dus ook die richting uit gestuurd. Een voorbeeld: het laatste gedicht draagt de titel ‘ A Prayer’. Het is dus een gebed, maar de tekst zelf beschrijft een liefdesscene en is heel erotisch gekleurd. Het gaat letterlijk over klaarkomen. Je zou het zelfs kunnen interpreteren als een soort van sadomasochistische overgave, al gaat dat me persoonlijk te ver. Ik heb daar lang over zitten nadenken: welke wending geef ik aan dit gedicht? Is het echt puur erotisch? Of zit er nog een andere laag onder? Ik kwam ten slotte niet bij iets religieus uit, maar wel bij een diepe, existentiele roep om liefde. ‘Take me, save me, soothe me, O spare me!’ staat er op het einde. ‘Spare me’ betekent ‘ontzie me’, ‘red me,’ maar ook letterlijk: ‘spaar me’. Wanneer spaar je iets op? Als je dat iets ongelofelijk belangrijk vindt. Je laat het niet verloren gaan. ‘Laat mij niet verloren gaan,’ zo zou je het dus ook kunnen lezen. En precies dat is volgens mij één van de diepste menselijke verlangens. Zo werd het uiteindelijk toch nog een soort van gebed en die kleur heb ik ook in de muziek gezocht.
Kan je zo een lied en alle betekenissen die het in zich draagt ten volle begrijpen bij een eerste beluistering?
Dat is een zorg voor later (lacht)! Uiteindelijk is dat het probleem van alle nieuwe muziek. Componisten bouwen vandaag hun loopbaan uit op basis van eenmalige beluisteringen. Ik vergelijk dat met mensen leren kennen. Wanneer je iemand voor het eerst ontmoet, dan is dat een eerste kennismaking – meer niet. Net zoals je een vriend pas écht leert kennen door hem vaker te ontmoeten, zo leer je ook pas na meerdere keren luisteren de diepere lagen van een compositie kennen. Pas dan kan je een stuk echt als een eenheid leren ervaren. Daarom zijn opnames vandaag ook zo belangrijk.
Maak je bij deze compositie, net als bij eerdere werken, opnieuw gebruik van een pitch class set?
Inderdaad, ik laat me bij het componeren niet zozeer leiden door geluiden op zich. Geluiden kunnen heel interessant zijn, maar ik kan er als componst niet zoveel mee. Ik laat me veeleer leiden door tonen en tijd. En hoe die tonen zich vervolgens ordenen: dat is een beetje de interne fabriek van mijn composities. Ik gebruik daarbij het handige hulpmiddel – niet meer dan een hulpmiddel – van de pitch class sets van musicoloog Allan Forte: een collectie van tonen die je kan gebruiken voor de opbouw van akkoorden en motieven. De hele liedcyclus is dus opgebouwd rond één grote behandeling van tonen en dat geeft een zekere eenheid aan het geheel.
Heb je nog op andere manieren naar een muzikaal geheel gezocht?
Ik heb het geheel opgedeeld in vier kleine cyclusjes met telkens een pauze tussen. Twee van die cyclusjes eindigen op dezelfde manier. Door die herhaling krijgt de muziek ook de kans om het even over te nemen: het is een rustpunt voor de luisteraar, waarbij die de kans krijgt om zich te oriënteren.
Tot slot: hoe beïnvloedt het ouder worden je muziek? Schrijf je vandaag anders dan vroeger?
Als je jong bent, ben je gulzig. Je wil alles tegelijk. Bij mij brengt ouder worden helderheid. Als je iets kan zeggen met één laag in de muziek, dan heb je er geen twee nodig. Terwijl ik er vroeger soms wel zeven had! Ik probeer nu meer te vertellen met minder middelen. Al blijft er ook altijd een dosis weerbarstigheid in zitten. Dat zal nooit veranderen (lacht).