Muzikale verwantschappen
22.03.2026
een bijdrage van Mark Delaere voor Concertgebouw Brugge
Als er grote affiniteit is tussen uitvoerder en programma, verwacht je meestal een tikkeltje meer van een concert. Die verwachting kan berusten op een repertoire dat door de musicus in kwestie levenslang liefdevol gekoesterd, bestudeerd en uitgevoerd wordt. Denk aan Mitsuko Uchida en pianomuziek van Mozart of Schönberg, of aan het Arditti-kwartet en hedendaagse strijkkwartetten.
Culturele verwantschap
Er bestaat daarnaast ook zoiets als culturele muzikale verwantschap. Als het Budapest Festival Orchestra de Hongaarse Dansen van Brahms of de Wonderbaarlijke Mandarijn van Bartók uitvoert, zitten we op het puntje van onze stoel. De verwachting hierbij is niet enkel dat ze dat repertoire al vaak hebben uitgevoerd, maar vooral dat ze deze muzikale taal met de paplepel hebben binnengekregen. Het gaat dan over verwantschap met de volksmuziek, maar ook over interpretatietradities en klankvorming. Er bestaat bijvoorbeeld zoiets als een typisch Slavische strijkersklank.
De eerste keer
Bestaat er ook zoiets als muzikale verwantschap tussen een jeugdorkest en de eerste pennenvruchten van een componist? Het programma van vanavond laat toe dit te beoordelen. Igor Stravinsky had wel al enkele jeugd- en studiewerken op zijn actief toen hij op 26-jarige leeftijd L’oiseau de feu (1909) componeerde. Maar deze vuurvogel nam direct een hoge vlucht: geschreven als eerste van de drie grote Russische balletten in opdracht van Sergey Diaghilev en gecreëerd in Parijs, maakte Stravinsky’s internationale carrière hiermee een blits start. Met …E poi c’era (1985) schreef Luc Brewaeys op dezelfde 26-jarige leeftijd zijn eerste van een lange reeks symfonieën. Natuurlijk verschilt de leefwereld van de jonge muzikanten uit het huidige Youth Orchestra Flanders enorm van de leefwereld van jonge componisten uit 1909 en zelfs 1985. De muzikale verwantschap berust daarom vooral op het gedeelde opwindend besef aan het begin van een muzikaal avontuur te staan. De toekomst is onzeker maar heeft veel in petto, en dat maakt het des te spannender.
En dan gebeurde het …
… want plots was daar E poi c’era … (1985), de eerste symfonie van Luc Brewaeys met deze aankondiging als Italiaanse titel. Deze symfonie gelijkt in niets op haar voorgangers: hier geen thema’s of motieven die gepresenteerd, ontwikkeld en herhaald worden, geen meerdelige opbouw of (post-)romantische expressie. In de plaats daarvan horen we een doorlopend geheel van uiterst zachte klanken die meer geruis dan toonhoogte bevatten. In de partituur geeft de componist daarom de volgende instructie aan de dirigent: ‘The delicacy and the refinement of the sounds should be the main concern’. De klanktijd glijdt zachtjes voort, slechts hier en daar onderbroken door korte en zeer krachtige accenten. Precies op de gulden snede begint een contrasterend gedeelte dat uit een machtige klankexplosie bestaat, waarna de donkere, uiterst zachte klanken van het begin het werk afsluiten. Dit is precies wat jonge (moedige) componisten doen: tradities in vraag stellen en onverschrokken nieuwe muzikale mogelijkheden verkennen.
Op de tippen van zijn tenen
Dmitri Shostakovich was al 40 jaar oud toen hij zijn Eerste Vioolconcerto (1947) componeerde; daarom identificeren de jonge muzikanten van het jeugdorkest zich misschien eerder met Joshua Brown, de 27-jarige solist in dit concerto? Hoe dan ook waren het ook voor de componist spannende tijden. De Sovjet ideologie verlangde zorgeloze, triomfalistische muziek die de superioriteit van het communisme zou weerspiegelen. Er was geen ruimte voor twijfel, donkere dramatiek of persoonlijke gevoelsexpressie, en precies daaraan had Shostakovich behoefte tijdens het schrijven van dit concerto. Toen hij het werk voltooid had, besefte hij dat een uitvoering zijn leven in gevaar kon brengen. Daarom verdween de partituur in de kast tot na de dood van Stalin: pas in 1955 zou David Oistrakh – voor wie het concerto geschreven was – het werk creëren. Het openingsdeel ‘Notturno’ zet de toon: geen spetterend begin van een virtuoos concerto, maar beschouwende nachtmuziek vol diepzinnige, langgerekte melodieën. Ook het derde deel ‘Passacaglia’ heeft hetzelfde karakter, ditmaal gebaseerd op een donker thema in de lage strijkers. Ook de even delen spiegelen elkaar: ‘Scherzo’ en ‘Burleske’ zijn onverbloemd virtuoos, maar laten respectievelijk een ongeveinsde en gechargeerde vorm van vrolijkheid horen.
Russisch exotisme
Stravinsky maakte drie concertsuites van L’oiseau de feu, maar vanavond horen we de volledige balletversie uit 1910. Die duurt ongeveer dubbel zo lang als de concertsuites en verplaatst ons nog beter in de Russische sprookjeswereld. Een jonge prins vangt een vuurvogel, maar bevrijdt hem in ruil voor een veder. Hij verdwaalt in de magische tuin van een reus en wordt verliefd op een van de prinsessen die daar gevangen gehouden worden. De reus ontdekt en bedreigt hem, maar de prins overwint hem dankzij de magische veder van de vuurvogel. Stravinsky bedacht een muzikaal ekwivalent voor deze tegenoverstelling van goed en kwaad: eenvoudige diatonische melodieën die dicht aanleunen bij de Russische volksmuziek, tegenover chromatiek die onopgeloste spanning oproept.
Waarschijnlijker nam Stravinsky de associatie van het natuurlijke met diatoniek en het bovennatuurlijke met chromatiek over uit De Gouden Haan (1909), de al even exotische laatste opera van Nikolaj Rimsky-Korsakov. L’oiseau de feu leunt inderdaad nog dicht aan bij de laatromantische taal en orkestrale kleurenpracht van zijn leermeester, al zijn hier en daar ook enkele impressionistische toetsen te horen. Pas met Petroeshka (1911) en nog meer met Le Sacre du Printemps (1913) zou Stravinsky die muzikale voorbeelden van zich afschudden en de muziekwereld op zijn grondvesten doen daveren.