© Lucinde Wahlen

Nog een hap? Eat Me, over verlangen zonder rem

27.04.2026

een bijdrage van Sue Somers voor B-Classic

In Eat Me gaat regisseur Aïda Gabriëls aan de slag met de vraag wanneer nooit genoeg te veel wordt. Spoiler: een antwoord blijft uit. Zoals wel vaker draait het niet om de uitkomst, maar om de weg ernaartoe. Verwacht een trip langs een muzikaal banket dat laveert tussen barok en techno, en het publiek mee het bad in trekt. Want willen we niet allemaal stiekem meer?

Een chef-kok, een performance-artieste, een criticus en een gastvrouw, tevens een voormalig operazangeres, cirkelen rond een tafel. Het klinkt als het begin van een grap, maar de pointe blijft uit. Wat valt er nog te lachen wanneer het eten niet komt? Eat Me is een zoektocht naar wat het betekent om te blijven hunkeren naar meer. Stopt het ooit, of is verlangen per definitie onverzadigbaar?

Het startpunt voor Eat Me was de cultfilm La Grande Bouffe, waarin vier mannen zich opsluiten in een landhuis. Ze zijn vastbesloten zich dood te eten als ultiem protest tegen de consumptiecultuur. “Ik wilde onderzoeken waar we vandaag staan”, zegt Aïda Gabriëls. “We blijven produceren, ook in de kunsten. Dat is nu eenmaal hoe het werkt, maar de vraag is hoe we ons tot dat systeem moeten verhouden.” De referentie blijft hangen in de coulissen, maar hier geen eindpunt, geen fatale verzadiging. Geen dood door overvloed. Hier blijkt al lang niets meer te consumeren, en toch blijft het lichaam functioneren. We blijven zitten. We blijven kijken. We blijven ja zeggen. Zonder oordeel, maar ook zonder ontsnapping trekt Eat Me een cirkel waarbij niemand de dans ontspringt.

Samen met schrijver en dichter Dominique De Groen brengt Gabriëls een tableau van vier figuren bijeen die eerder functies zijn dan personages. Het libretto vormt een open partituur waarin de performers hun posities aftasten en verschuiven. Blandine bewaakt als gastvrouw de vorm: haar beleefdheid is geen rustpunt, maar een motor die organiseert, versnelt en alles gaande houdt. De voormalige operazangeres spreekt in echo’s, verteerd door haar eigen rollen tot alleen citaten, gebaren en poses resteren. Gaspard, chef-kok, jaagt een onbereikbare perfectie na en verengt de wereld tot één eindeloze handeling die hem uitput. Cindy, performancekunstenaar, kantelt de blik, legt bloot wat liever glad blijft, maar blijft tegelijk meedraaien in wat ze ontregelt. Claus zoekt houvast in analyse en verstrikt zich in een eindeloze stroom vragen die vooral zijn eigen positie bevestigen. En onder dat alles: een vijfde naamloze gestalte, een hand zonder eigenaar die accenten verschuift.

© Lucinde Wahlen

Doomscrollen

De queeste neemt de vorm aan van een muzikaal banket waarbij ook het publiek mee aanschuift. Die ingreep is intussen vintage Aïda Gabriëls: in haar werk is vaak een rol weggelegd voor de toeschouwer. “Er zijn anonieme tribunes, maar aan de tafel is ook plaats voor veertig gasten. We maken allemaal deel uit van het systeem. Niemand is onschuldig, en iedereen voelt wel eens de behoefte om eruit te stappen.” Toch is het niet de bedoeling om het publiek bezwaard naar huis te sturen, nuanceert Linde Carrijn, die de performancekunstenares vertolkt.

“Theater is niet de plek om met de vinger te wijzen. We willen mensen laten ervaren hoe ze zich tot dit vraagstuk verhouden. De wereld staat in brand. Welke rol blijft er dan over voor kunst?” Voor Carrijn is het antwoord dubbel. “Ook ik consumeer vrolijk mee, of betrap me erop dat ik zit te doomscrollen. Tegelijk denk ik na over wat ik eet, en wat ik zelf kan veranderen.” Maar of dat voldoende is? “Het clichébeeld van de geprivilegieerde kunstenaar als subsidieslurper ligt voor de hand. Ik verdedig wat ik doe, maar velen begrijpen het niet. Dat spanningsveld neem ik mee in de voorstelling.”

Eat Me betekent voor Carrijn ook een stap richting onontgonnen terrein. Als actrice combineert ze al langer muziek en theater, maar performance in een museale context is nieuw.

“Aïda creëert voorstellingen als installaties. De opstelling dwingt ons om ‘360 graden’ te spelen, wat complexer is dan frontaal spelen. Bovendien zijn onze rollen niet volledig uitgeschreven. Via improvisatie zoeken we samen naar beelden. Dat is een hele uitdaging.”

© Lucinde Wahlen

De ‘drop’ van de barok

En de muziek? Dat het barok zou worden, lag voor de hand. “Het is de kunst van de overdaad,” zegt Gabriëls, “maar ik wilde er een hedendaagse draai aan geven, en er een muzikale reis tussen twee extremen van maken.” Een vijfkoppig B’Rock Orchestra speelt repertoire met klavecimbel, waarvan de basso continuo verrassend dicht bij elektronische structuren ligt. Zo kwam Gabriëls uit bij theatercomponist Jonathan Bonny. Die ontdekte dat barok en techno meer gemeen hebben dan gedacht. “De barok is altijd mijn favoriete periode geweest, maar pas nu besef ik hoeveel ze gemeen heeft met elektronische muziek: dezelfde harmonische eenvoud, dezelfde voorspelbaarheid. De ‘drop’ in techno verschilt niet van de spanning van de dominant die oplost in het tonica-akkoord.”

De combinatie werkt, vindt Bonny. “Ze creëert nog meer overdaad. Het publiek zal zich misschien overweldigd voelen, maar dat is ook de inzet van een banket. Thematisch klopt het ook: Eat Me gaat over de vraag wanneer nooit genoeg te veel wordt. Voor mij is het zoeken hoe ver ik kan gaan, en hoe hard ik techno door barok kan laten pompen.”

© Lucinde Wahlen

Lynchiaanse afloop

Voor de scenografie werkte Gabriëls samen met het Brusselse duo :mentalKLINIK, dat de iconische monobloc-tuinstoel, geboren uit 20ste-eeuwse massaproductie en symbool van vakantie en klein genot voor de werkende klasse, opvoert tot design. Eat Me werkt niet toe naar een catharsis. De vraag of we het systeem kunnen doorbreken, en of het ooit echt genoeg is, blijft open. “Dat is een risico”, zegt Gabriëls, “maar ik eindig liever zoals in een Lynchiaanse wereld: zonder sluiting. De honger blijft, honger zal er altijd zijn, zelfs voorbij de indigestie.”

De nasleep van een feest laat zich niet timen: sommige gasten zijn te vroeg vertrokken, anderen bleven te lang hangen. Terwijl de ruimte aarzelend terugkeert naar haar vroegere staat, dringt de vraag zich op hoe dit samenzijn eigenlijk had moeten eindigen. Stoelen staan scheef, tafels dragen de sporen van wat al verbruikt is. En toch wordt alles weer in positie geschoven. Wat rest, is weinig meer dan elkaars aanwezigheid. Misschien is dat net genoeg, en niet te veel.

Nous vous remercions de choisir, choisir, choisir, choisir, choisir, choisir, choisir, choisir.