Palimpsest van het strijktrio
09.02.2026
een bijdrage van Stijn Paredis voor Concertgebouw Brugge
Mozart innoveert, Beethoven concludeert. In Mozarts Divertimento in Es en Beethovens Strijktrio in c lezen we het een‑tweetje in de geschiedenis van het strijktrio, vlak voordat de 19e eeuw het strijkkwartet op het schild hijst als hét kamermuziekgenre en het strijktrio in de kunstmuziek naar de achtergrond verdwijnt. Tot in de 20e eeuw, wanneer figuren als Anton Webern en Arnold Schönberg het genre nieuw leven inblazen en een hernieuwde honger naar transparantie weerspiegeld zien in de driestemmige bezetting. Met Palimpseste du temps accordé van de Canadese componiste Murielle Lemay horen we een hedendaagse liefdesverklaring aan een genre dat te lang als een onvolledig strijkkwartet werd gezien.
Eind- en startpunt voor Beethoven
Eeuwwisselingen zijn gebrekkige afbakeningen voor stijlen en genres, maar Beethoven tart die stelling met zijn laatste bundel strijktrio’s, opus 9. Na de publicatie in 1799 keerde hij nooit meer terug naar de combinatie van viool, altviool en cello, maar zijn derde en laatste trio in c zette hem wél in poleposition om een boegbeeld van de Romantiek te worden. Alleen al de toonaard: los van het feit dat een mineurtoonaard in de titel nog relatief zeldzaam was, wijst ze vooruit naar Beethovens bijzondere band met do klein, getuige daarvan zijn Coriolanus ouverture of natuurlijk zijn bekende Vijfde symfonie.
Het openingsmotief van het Allegro con spirito bevat de kiem van de ongewone dramatiek die het trio dooradert. Vier smartelijk dalende tonen keren geregeld terug, luiden nieuwe segmenten in en schragen zo de structuur van dit bij momenten onstuimige stuk. Opvallend is het contrast tussen het beweeglijke eerste thema en de tweede, statische melodie, die het vooral moet hebben van herhaalde noten en de harmonische omhelzing door de andere twee instrumenten. Het lijkt een vingeroefening voor de beroemde langzame beweging uit de Zevende symfonie, waar akkoordverschuivingen een monotone melodie telkens anders belichten. Het tedere tweede deel ruilt de mineursfeer in voor een zachtaardige do groot, maar de rust houdt niet lang stand door de komst van een weerspannig scherzo met typische Beethoven‑accenten die de maatstrepen lijken te willen slopen. Het virtuoze vierde deel besluit Beethovens laatste wapenfeit in het genre.
Plezier met een grote “P”
Beethovens verwezenlijkingen op het vlak van strijktrio’s werden geïnspireerd door Mozarts Divertimento in Es. Net als zijn Serenade in Bes voor blazers overstijgt dit divertimento — letterlijk “plezier” — het niveau dat voor zulke muziek gangbaar was: Mozart maakte het grootser, boeiender, beter. Mozart schreef dit zesdelige werk in 1788, drie jaar voor zijn dood, en droeg het op aan zijn vriend Michael von Puchberg, die hem financieel bijstond.
Dit late werk opent gelijkaardig aan Beethovens jeugdwerk, maar zorgelozer, met een dalend unisonomotief dat de aftrap geeft voor het langste deel. In het tweede deel valt het gebruik van dubbelgrepen op, het gelijktijdig aanstrijken van twee snaren zodat één muzikant twee noten kan spelen. Zeker in deze triobezetting en met de drieklank als basis van de Westerse muziek is dat geen overbodige luxe: zo kan Mozart een volledig akkoord laten klinken door twee muzikanten, terwijl een derde de melodie voert. In langzame delen, zoals dit Adagio, bevordert die schaarste de begeerde transparantie. Hier geldt écht: elke noot telt.
Het eerste menuet van het divertimento zal menige 18e‑eeuwse toehoorder even op het verkeerde been hebben gezet. Het typisch walsachtige metrum lijkt veraf door een begeleiding die de driekwartsmaat doorklieft. Daarna volgen een variatiereeks — met een onverwacht ernstige variant —, een tweede menuet waarin viool en altviool bij aanvang jachthoorns lijken te imiteren, en een slotdeel dat een vrolijk deinende melodie uitspeelt tegen een markant ritmisch motief. Zo besluit Mozart een van zijn meest baanbrekende composities.
Strijktrio in hoge resolutie
De transparantie die Mozart en Beethoven tentoonspreiden in hun strijktrio’s sluit naadloos aan bij de muzikale missie van de Canadese componiste Murielle Lemay. Met een combinatie van uiterste precisie en gecontroleerde ruimte voor toeval en onvoorspelbaarheid verkent ze de grenzen van muziek en diens notatie. Eerder maakte ze furore met het orkestwerk augur (2023); nu stelt Trio Fenix haar Palimpseste du temps accordé voor waarvan de titel verwijst naar gelaagde herinneringen in de tijd. Een palimpsest is van oorsprong een gebruikt perkament waarvan de bovenste laag is weggekrast om het opnieuw te kunnen benutten; Lemay onderzoekt dat beeld op het terrein van muziek, de kunstvorm die niet zonder het verstrijken van tijd kan. Zo zet ze de tocht naar ultieme gelijkwaardigheid van de drie stemmen overtuigend voort: in deze uiterst gedetailleerde partituur kerft elk instrument tegelijk zijn sporen in de muzikale tijd.