Anthony Romaniuk © Gerda Willems

“Thuis is eerder loslaten dan vasthouden”

01.03.2026

een bijdrage van Fauve Charlier & Katherina Lindekens voor Klarafestival

Klavierduizendpoot Anthony Romaniuk schakelt moeiteloos tussen klassiek, jazz, improvisatie en ambient. Op Klarafestival 2026 stelt hij zijn soloalbum On Modes voor. Daarop vervlecht hij een rijkelijke portie eigen muziek met composities van Pärt, Adams en Ligeti. En passant arrangeert hij ook werk van Radiohead, Björk en andere artiesten. Enkele weken voor het releaseconcert spreken we hem over het album, over zijn avontuurlijke parcours en over de centrale vraag van het festival: Where Is Home?

Welke rol speelde muziek bij jou thuis?

Hoeveel tijd heb je? (lacht) Muziek kwam vooral in mijn leven via mijn vader. Mijn grootvader was volksmuzikant in Boekovina, een bergachtige regio die vroeger in Roemenië lag, vandaag in Oekraïne. Hoewel mijn vader zelf geen muzikant werd, groeide hij dus wel op met muziek. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vluchtte hij zoals velen naar het zuidelijk halfrond, en zo komt het – als we even doorspoelen – dat ik geboren werd in Australië. Ik denk dat muziek een emotioneel stabiliserend effect had op mijn vader. Hij had een kleine platenverzameling, die hij grijs draaide. Die muziek was er altijd, als een soundtrack van ons dagelijkse leven. Ik ben de jongste van vijf kinderen, en elk van ons volgde ook muziekles. Er was altijd wel iemand aan het spelen.

Wat is je vroegste muzikale herinnering? 

Hmm… die heb ik niet echt, geloof ik. Ik zou iets kunnen verzinnen, maar aangezien ik net terug ben van een tiendaagse stilteretraite, wil ik liever eerlijk zijn. (lacht) Wat ik me wél herinner, is het eerste moment waarop ik de emotionele impact van muziek voelde. Dat moet rond mijn elfde zijn geweest, toen ik de jazz ontdekte. Voordien was muziek er altijd gewoon geweest, zonder dat ik er een sterke persoonlijke band mee had. Maar toen ik het album Steamin’ van Miles Davis hoorde, wist ik niet wat me overkwam. Voor het eerst voelde ik dat muziek iets kan betekenen, dat ze je volledig kan opslorpen. Muziek kan een completer mens van je maken, en deel worden van wie je bent en wat je drijft.

Wat maakte Steamin’ voor jou zo bijzonder? 

Die plaat ademt een natuurlijke cool, een zelfzekerheid waarin veel optimisme schuilt. Wat is coolness, als je erover nadenkt? In essentie: het resultaat van zelfvertrouwen. Weten wie je bent en daar vrede mee hebben. We zijn allemaal weleens onzeker als we jong zijn, dus Steamin’ was voor mij heel inspirerend. Ik wou die muziek worden.

Zijn er andere mensen die je in die vormende jaren hebben geïnspireerd? 

Mijn eerste pianodocente was eerder een gids dan een leerkracht. De belangrijkste tip die ze me gaf, herinner ik me nog steeds: verzorg je houding en verdeel je gewicht, ‘from bum to thumb’ (van zitvlak tot duim, red.). Verder gaf ze me vooral de ruimte om me zelfstandig te ontplooien, wat heel fijn was. Mijn technische vaardigheden ontwikkelde ik vooral als twintiger. Zo wierp ik me als een nerd op de drills van Charles-Louis Hanon (auteur van Le pianiste virtuose, red.). Elke dag deed ik die technische oefeningen. Ik gedij wel bij dat soort structuur.

Je begon als pianist. Wanneer kwamen het klavecimbel en de pianoforte in beeld?  

Dat was halverwege mijn twintiger jaren, toen ik in New York studeerde en weer andere interessante mensen ontmoette. Zij lieten me onder meer kennismaken met barokmuziek, die ik geweldig vond maar niet kon vertolken op piano. Daarom ging ik ook klavecimbel studeren. Nog later, in Den Haag, ontdekte ik de pianoforte en veranderde ik nog maar eens van major. (lacht)

Op welk van die instrumenten voel je je het meest thuis? 

Aan welk klavier ik ook ga zitten, ik vind altijd wel manieren om het te doen werken, door te focussen op klankproductie. Dat aanpassingsvermogen is mijn grootste sterkte, denk ik. Maar in wezen blijf ik een pianist. De mechaniek van een hamer en een snaar is me nu eenmaal het meest vertrouwd. Ik ben opgegroeid met dat instrument en die ontwikkeling is nooit gestopt. Hoe blijf je als muzikant groeien nadat je je studie hebt afgerond? Dat vind ik een interessant vraagstuk en een belangrijke uitdaging. Volgens mij is On Modes mijn beste werk tot nu toe, en daar ben ik aangenaam door verrast.

Op het album gebruik je ook elektronica. Hoe verhoudt die zich tot je akoestische instrumentarium? 

Ik luister veel naar elektronische muziek en experimenteer er graag mee, maar zou mezelf zeker geen technisch onderlegde elektronicamuzikant noemen. Toch heeft die wereld mijn denken beïnvloed. Zo is een van mijn recente werken een soort analoge remake van een synthesizer-improvisatie – al besefte ik dat pas achteraf. Voor On Modes werkte ik in een prachtige studio in Berlijn, met een weelde aan tape delays en andere analoge apparatuur. Die moest ik gewoon gebruiken. Ik ben heel blij dat ik werd omkaderd door twee geweldige producers, onder wie een Belgische vriend van me, Jo Thielemans.

Je bent veel op tournee en hebt op verschillende continenten gewoond. Hoe is het om zo’n veranderlijke thuis te hebben?

Ik was 18 toen ik vertrok uit Australië en ben sindsdien nog meermaals verhuisd. Ik woonde zes jaar in New York, vijf jaar in Den Haag, zes jaar in Brussel en zeven jaar in Antwerpen. Intussen woon ik alweer drie jaar in Madrid, waar ik me haast ‘thuis’ voel dan mijn Spaanse echtgenote. (lacht) Kijk, uiteraard heeft het zijn voordelen om te zeggen: ‘Dit is mijn plek. Dit zijn mijn mensen. Hier wil ik wortel schieten.’ In die zin heb ik het mezelf misschien moeilijk gemaakt. Maar het is ook leerrijk om af en toe van thuis te veranderen. Het geeft je de kans om je steeds weer af te vragen: wie ben ik in deze omgeving? Hoe positioneer ik mezelf in deze nieuwe context?

Heb je daarbij ontdekt wat ‘thuis’ voor jou betekent?

Ook hier draait alles om aanpassingsvermogen. Voor mij is thuis verandering, beweging. Het is geen vaste plek. Thuis is het verstrijken van de tijd, het voorbijtrekken van plaatsen. Het is eerder loslaten dan vasthouden. Juist daarin schuilt een zekere rust – al klink ik nu wel heel boeddhistisch. (lacht)

Is er een bepaald geluid dat je associeert met een van je woonplaatsen? 

Dat heb ik het meest met New York, waar je een onophoudelijke kakofonie hoort van sirenes, de metro, en miljoenen mensen om je heen. Ik vond het heerlijk om daar te wonen. Maar ook muziek is inherent verbonden met haar omgeving. Luisteren naar bluegrass, bijvoorbeeld, is een totaal andere ervaring in North Carolina dan in West-Afrika.

Heb je rituelen die je een thuisgevoel geven wanneer je onderweg bent?

Ik mediteer elke dag en ben een vreselijke koffiesnob. (lacht) Ik neem mijn AeroPress en handmolen overal mee en zoek in elke stad de fijnste koffiebars op. Het is een manier om verbinding te maken met de plaats waar ik ben.

Voel je je thuis op het podium? 

In zekere zin wel. Al moet ik nu denken aan een 16e-eeuws traktaat waarin staat dat een voorstelling geen uitwisseling is tussen artiest en publiek, maar een gezamenlijke bijeenkomst. Idealiter kijkt iedereen samen naar het centrum van een ruimte. In die gedeelde ervaring schuilt de mogelijkheid van magie. Het Spaanse woord ‘duende’ vat dat mooi samen: het moment waarop we worden overgenomen door iets groters dan onszelf.

Hoe zou je je band met Brussel omschrijven?

Brussel voelt voor mij als een kruispunt van culturen. Het is geen grote stad, maar ze wordt wel steeds kosmopolitischer. Die samenloop van werelden brengt een bijzondere levendigheid met zich mee. Brussel is groot genoeg om werkelijk gastvrij te zijn. Je kunt er volledig jezelf zijn. Ik heb er graag gewoond.

Binnenkort ben je er even terug, voor het releaseconcert van On Modes. Hoe ontstond het idee voor dit bijzondere album? 

Tijdens de lockdown begon ik Phrygian Gates van John Adams te spelen. Dat werk lag me zo goed dat ik er een programma rond wilde bouwen. Zoals de titel verklapt, is het geschreven in de frygische modus (een specifieke toonladder, red.), en ik wist al vrij snel dat ik wilde werken rond de expressieve kracht van deze en andere modi.

Wat trekt je daar zo in aan? 

Meer nog dan de majeur- of mineurtoonaarden vertellen modi elk hun eigen verhaal. Het zijn toonladders die de meest uiteenlopende kleuren en moods ademen, en je in een oogwenk kunnen meevoeren naar een andere wereld. De mixolydische modus, bijvoorbeeld, klinkt brutaal en provocatief, terwijl de dorische eerder peinzend aanvoelt en een zacht optimisme uitstraalt. Elke modus brengt je in een andere emotionele toestand, zonder dat je er ook maar iets over hoeft te weten. En zo zijn we terug bij de luisteraar die muziek wordt. Er ontstaat een klank en er zit leven in die klank, en dat leven kan oneindig veel dingen uitdrukken.

Hoe ging je met die modale taal aan de slag? 

Dat was een lang proces van nadenken en zoeken. Modi vind je immers vooral in de oude muziek en de jazz. Voor pianisten bestaat er weinig modaal repertoire. Er zat dus niets anders op dan zelf repertoire te creëren. Naast het werk van Adams selecteerde ik nog enkele 20e-eeuwse werken van Pärt en Ligeti. Maar verder bestaat het album volledig uit eigen composities, improvisaties en arrangementen. Het was een belangrijke stap voor mij om mijn eigen stem te ontwikkelen. Het album verschijnt op een klassiek label (Alpha Classics, red.), maar eerlijk gezegd heb ik geen flauw idee welk genre ik erop zou moeten kleven. Het is geen jazz, geen ambient, geen elektronische muziek, geen neoklassiek.

Misschien is het gewoon je eigen genre? Als een blend van invloeden die door jouw unieke filter zijn gepercoleerd? 

Dat is het helemaal. (lacht)