Zappropriations – “Nuyts met een parfum van Zappa”
18.09.2025
een bijdrage van Arne Herman voor Casco Phil
In 2025 richt het Vlaamse cultuurlandschap het spotlicht op Luc Brewaeys, een van de meest invloedrijke Belgische componisten van de afgelopen decennia. Tien jaar na zijn overlijden blijkt zijn muzikale nalatenschap actueler dan ooit. Dat beaamt ook Frank Nuyts, Brewaeys’ compagnon de route die in opdracht van Casco Phil het werk Zappropriations componeerde, dat op zaterdag 4 oktober 2025 in wereldpremière gaat in de Predikherenkerk te Mechelen.
Toch vormt niet Brewaeys zelf maar wel Frank Zappa het brandpunt van dit eigenzinnige eerbetoon. Zappa wordt vaak omschreven als iemand die de grenzen tussen ‘ernstige’ en ‘lichte’ muziek relativeerde, en net als die andere Frank laveert ook Frank Nuyts lustig tussen satire, virtuositeit en stilistische vrijheid. Zoals het een postmodernist betaamt, levert hij met Zappropriations een werk aan met een hybride identiteit, boordevol kruisverwijzingen doorheen de genres en tijdvakken. Ook Joseph Haydn, de vierde componist op het programma, is meer dan een figurant. Achter schijnbare eclectiek schuilt dan ook een omvattend en passend eerbetoon aan Luc Brewaeys, én aan verschillende generaties hemelbestormers die wars zijn van hokjesdenken, en die de klassieke muziek verrijkten en blijven verrijken met een royale portie rock ‘n’ roll.
Luc Brewaeys en jij behoren tot dezelfde generatie van Vlaamse componisten, maar houden er toch een behoorlijk verschillend klankbeeld op na. Kan je wat helderheid scheppen in de driehoek Brewaeys-Nuyts-Zappa?
Ik vond het wel grappig: het is niet de eerste keer dat Luc Brewaeys en ikzelf naast elkaar geprogrammeerd staan rond de figuur van Frank Zappa. Tijdens de eerste Zappa-biënnale in de jaren ‘90 speelde mijn band Hardscore enkele van mijn Zappa-bewerkingen naast Brewaeys’ Zappa-fragmenten die ook op 4 oktober te horen zijn. Luc bewandelde toen al een heel ander pad dan ik, maar aanvankelijk hadden we heel wat gemeen. Net als ik was Luc een jonge en eigenzinnige componist, die niet het typische opleidingstraject had doorlopen, maar boven alles wilde componeren. In de jaren ‘70 en ‘80 doken we in de partituren van de grote componisten van toen, en absorbeerden we zoveel we konden. Je weet: in je twintiger jaren moet je schoppen tegen elke scheen die je ziet, en dat deden we dan ook. Later zijn we elk onze eigen weg opgegaan. Het postserialisme waar we beiden van vertrokken, was voor mij een wereld die niet helemaal meer klopte. Ook Luc heeft zich uiteindelijk wat anders georiënteerd, richting spectralisme.
Vanwaar jullie fascinatie met Frank Zappa in het bijzonder? Dat ligt niet helemaal voor de hand voor ‘klassieke’ componisten…
Zappa is redelijk vroeg in mijn leven gekomen. Ik was dertien jaar toen ik samen met Kamagurka droomde op een zolderkamer, die hij bij hem thuis in Oostende als studio had mogen inrichten, over een toekomst waarin (ook voor mij dus) tekenen een hoofdrol zou spelen. Kama kreeg soms wat zakgeld waarmee hij LP’s mocht kopen. Op een voor mij bepalende namiddag gingen we naar een platenzaak en kocht Kama zowel een plaat met Stravinsky’s Le Sacre du Printemps als de plaat Uncle Meat van Zappa; meteen ook een selecte die voor Luc Brewaeys een evidentie zal geweest zijn. Stravinsky bewonderden ik niet alleen om zijn ritmische en metrische lef, maar ook om zijn ongelooflijke veelzijdigheid. Zo heb ik zelf altijd een zwak gehad voor zijn neoklassieke werken, waarop vandaag door sommige puristen wordt neergekeken. Zappa is dan weer een osmose van blues-thematieken en de radicale esthetische ideeën van Edgar Varèse. En wat ik vooral in Zappa waardeer, is zijn humor. Niets is wat het lijkt, en verwachtingspatronen worden voortdurend doorbroken. Je kan Zappa, net als Stravinsky, nooit in één hokje vatten. Geen enkel individueel werk, maar ook niet zijn oeuvre als geheel. Ik durf wel zeggen dat dat zowel op Luc als op mij van toepassing is.
Het werk dat in opdracht van Casco Phil in wereldpremière gaat op 4 oktober, draagt de guitige titel Zappropriations. Is dat inderdaad wat het is? Een soort toeëigening van de stijl van Frank Zappa?
Een toeëigening is het zeker niet, en ook geen imitatie. Het is eerder het erkennen van Zappa’s ongrijpbaarheid, op vele vlakken. In Zappropriations speel ik voortdurend met hybriditeit, en met het omkeren van verwachtingspatronen. Mijn werken zijn meestal netjes gebaseerd op een traditionele drieklank (Zappropriations staat technisch gezien in re groot), maar ik ontdoe vaak drieklanken van hun klassieke functionaliteit. Een septiemakkoord, bijvoorbeeld, is niet langer een akkoord dat een spanning bevat die oplost in een volgend akkoord. Door een terts toe te voegen aan een stabiele drieklank, krijg je iets ongedefinieerds. Dat onbepaalde, dat voortdurende oscilleren alsof alles altijd verschillende kanten kan opgaan, vind ik uitermate fascinerend. Pure humor, maar evengoed pure ernst: helemaal Zappa.
Hoe zit het werk structureel in elkaar?
Het eerste deel, Zapproximately, is een trage wals, zoals Zappa er ook heeft geschreven. Denk maar aan het hymnische slot van 200 motels, Strictly Genteel voor groot orkest, vocals, en rockband. De titel is ook een vage knipoog naar Approximate van Zappa, waar de musici enkel een ongelooflijk complexe ritmische lijn voorgeschoteld krijgen, met geïmproviseerde riedels in een tempo dat de grenzen van het speelbare aftast. Ik noem het een vage knipoog, omdat het tempo bij mijn wals heel laag ligt. De complexiteit zit hier eerder in het metrum dat voortdurend verschuift, een muzikale hik, of alsof je een wals danst met anderhalf been.
Ook het hoekige klankbeeld door het frequente gebruik kwarten en kwinten komt recht van Zappa. Het tweede deel blijft ook grotendeels diatonisch, al zoek ik soms wel de lydische modus op die zo kenmerkend is voor de muziek van Zappa. De verhoogde kwart geeft die lydische modus een heel apart, vrolijk karakter. Het doorprikt een deel van de ‘sérieux’ van nieuwe muziek, die ik vaak onnodig dogmatisch vind. In maat 147 zitten we bijvoorbeeld in la klein, maar in de viool (en altviool) krijgen we op het sus4 akkoord een akkoordvreemde la kruis, wat in mijn oren onmiddellijk doet denken aan Zappa.
Zapparitions heet dit tweede deel. Het tempo is hier behoorlijk snel – “fasten your seat belts”, zou Luc gezegd hebben. De woordspeling ‘Zapparitions’ vat opnieuw een en ander samen. Het is een verre verwijzing naar het werk Apparitions van György Ligeti, dat trouwens geschreven werd in 1959, het geboortejaar van Luc Brewaeys (lacht). Het gaat natuurlijk verder dan die toevalligheid: het tweede deel bevat namelijk een letterlijk citaat van Zappa dat aan het einde hoorbaar “verschijnt”; een echte “apparition” dus.
Verder maak ik gebruik van wat ondertussen een ‘Zappatesk’ signaalmotief is geworden in mijn werken. Het betreft een ritmsich moduletje kort-lang (een zogenaamde trochee) waarbij de metriek, gesuggereerd door het maatcijfer of de maatstrepen, voortdurend verschuift en zo de luisteraar op het verkeerde been wordt gezet. Het comfort van een vast metrum probeer ik te doorbreken, zodat de muziek, en daarmee ook de aandacht, scherp blijft. Dit bouwelement gebruikte ik al eerder, bijvoorbeeld in mijn werkje Za-va-pa voor piano solo.
Ook in mijn 16e pianosonate is dat Zappa-motief van de voornaamste bouwstenen.
Het tweede deel van Zappropriations is volledig gebaseerd op dit principe – tenminste als je de piano- en vioolpartijen combineert.
Daarop wordt dan op het einde driemaal een letterlijk citaat geplaatst uit Zappa’s Uncle Meat, maar wel getorpedeerd door wat eronder gebeurt.
In meerdere opzichten is het werk dus doordrenkt met Zappa. Tegelijk bevat het alle kenmerken die ook jouw muziek typeren: humor, beknoptheid, virtuositeit, hybriditeit, …
Klopt, en ik heb wel het gevoel dat ik met dit werk iets van mij afgeschreven heb. Ik zoek niet de controversiële Zappa op, en ook niet de Zappa die ‘hedendaagse klassieke muziek’ schrijft, maar wel Zappa de humorist. Een van Zappa’s iconische albums heet Does Humor Belong in Music? Zelf schreef ik in mijn jongere jaren een essay met de titel Mag het wat plezanter zijn?
Muziek hoeft voor mij niet altijd over lijden en pijn te gaan, er is niets mis met wat puur muzikale humor, wat dit ook moge zijn in muziek. Zappropriations is dus een eerbetoon aan de figuur van Zappa – zowel als persoon als muzikaal – maar geen imitatie. Het is eerder Frank Nuyts met een parfum van Zappa.
Je staat erom bekend muziek te componeren die behoorlijk moeilijk is om uit te voeren. Zal het voor uitvoerders en publiek even ‘plezant’ zijn?
Zeker wel hoor! Het klopt dat mijn muziek een enorme alertheid vraagt van de uitvoerders. Ze verschuift voortdurend van cadans, en dat maakt het voor uitvoerders zeker tricky. Maar het doel heiligt de middelen. Men verwijt mij soms dat ik mijn muziek blijf schragen op drieklanken, en dat er altijd wel een bepaalde tonaliteit in te ontwaren valt. De reden waarom ik die transparantie en harmonische eenvoud wil behouden, is net om de ritmische en metrische complexiteit volgbaar te houden. Die destabiliserende verschuiving van het metrum gaat niet op in een soort wollig gewemel, maar blijft voortdurend bloot liggen. Hiermee hoop ik mijn muziek boven alles spannend te houden. Zonder twijfel zal de luisteraar zich soms fronsend afvragen “Wat gebeurt er daar allemaal?”, of beter nog: “Hoe blijven ze in hemelsnaam samen?”. Plezant zal het dus zeker zijn!